De gedachten van dominee Klumper in 1947

Het is niet te ontkennen dat het bodemonderzoek in het koor, waarvan het vorige artikel melding maakte, niet in alle opzichten aan de verwachtingen heeft voldaan, zelfs niet ten opzichte van het soortgelijke onderzoek in Anlo. We mogen echter niet vergeten dat hier de onderzoekingen nog maar voor de helft zijn verricht, de preek- of lekenkerk moet ze nog ondergaan. En waar men tegenwoordig bezig is gelden voor de restauratie van dit deel van het oude gebouw in te zamelen, is een opwekking aan Overheid en particulieren hiertoe bij te dragen, zeker op zijn plaats. Onaanzienlijk zijn de tot nu bereikte resultaten echter geenszins. De meer dan een meter dikke laag zwarte grond, die boven de paalgaten van het oudste, waarschijnlijk heidensche heiligdom was aangebracht, bracht ons tot de niet onbelangrijke conclusie dat het met de uitvoering van den brief van Paus Gregorius aan Bisschop Augustinus niet zo glad is gegaan als wel eens is aangenomen. Zie het artikel in het Febr. nummer. Dat er slechts een brandlaag tevoorschijn kwam, brengt ons tot een andere. De plaats aan het kruispunt van veel belangrijke wegen, waar de Christelijke eredienst werd uitgeoefend, was beter beschermd dan het meer afgelegen Anlo, zodat daar meerdere verwoestingen door de belijders van het “oude geloof” konden worden aangericht.

De zwarte laag bergt echter nog meer geheimenissen in zich, er werden n.l. de resten van meer dan 150 kinderlijkjes in gevonden. De kistjes stonden in drie rijen boven elkaar en waren zo keurig gerangschikt dat ze elkaar niet eens raakten en als ’t ware ‘aus einem Gusz’ moeten zijn bijgezet. Op een bepaalde plek lagen ze heel dicht, maar overigens door de hele laag heen, de afmetingen van de nagenoeg vergane kistjes, die dus heel moeilijk in het zwart van het omringend zand waren te onderscheiden, liep van heel klein voor pasgeborenen tot ongeveer een meter, ook enkele ouderen waren in de laag begraven. De oplossing van het raadsel, waarover onwillekeurig onze gedachten uitzwermen, is niet eenvoudig. Voor we onze gedachten gaan vast leggen, zij erop gewezen dat de reeds genoemde brandlaag zich boven de zwarte laag bevindt, waarin de kinderlijkjes zijn gevonden. De bijzetting dateert dus uit de tijden na of omstreeks het jaar 1000 onzer jaartelling. Hier aan een tijdelijk bijzonder grote kindersterfte ten gevolge van een epidemie te denken strookt o.i. niet met de bevolkingsdichtheid of liever dunheid in de vroege middeleeuwen en het haast niet denkbare feit, dat de tijdelijk toegenomen sterfte alleen tot de kinderen zou zijn beperkt gebleven.

Ook de van zekere zijde gedane suggestie als zouden op een Noormannen-rooftocht de mannen, vrouwen en oudere kinderen zijn meegevoerd en de kleinsten hier zijn afgemaakt, stuit op talrijke bezwaren. Behalve de “zorgvuldigheid” der bijzetting pleit tegen deze vooronderstelling het feit, dat de recente geschiedschrijving hoe langer hoe minder van het werkelijk plaats gehad hebben der Vikingstochten overtuigd raakt, zie de publicaties over bodem-onderzoekingen te Wijk bij Duurstede.

Een derde mogelijkheid dat hier in letterlijken zin een hekatombe van kinderen is geofferd bij de stichting van een gebouw, waarvan de brandlaag een overblijfsel is. De vermoedelijk reeds Christelijke tijd, waarin de heilige handeling moet hebben plaats gevonden, zou hier tegen pleiten, als we niet wisten dat de Middeleeuwen hun faam van duisternis juist aan zulke feiten te danken hebben.

Een vierde verklaring, waartoe ik persoonlijk het meeste neig, is de volgende: Onze voorouders leefden in deze streken in stam-, d.i. enigszins uitgebreid familie-verband, op een cultuurgrond van betrekkelijk geringen omvang. De essen en andere landerijen waren juist toereikend voor het levensonderhoud van een bepaald aantal personen. Het hoofd van een nederzetting moest zijn toestemming geven of een pas-geborene in leven mocht blijven, hetgeen met een hoofdbeweging geschiede (annuere of abnuere) Een geweigerd jong leven werd vanzelfsprekend in handen gesteld van een functionaris die in het algemeen belast was met het leiden van de overgangen van dit naar het “andere leven”, dat was de priester of priesteres, die op “humane” wijze dit door onverbiddelijk harde economische wetten geregeerde leven diende. Het zou ons te ver voeren dieper op deze materie in te gaan, hoewel het interessant zou zijn om bij dit “licht” de eerste bede van het Onze Vader te bezien n.l Geef ons heden ons dagelijks brood.

Als we een der veel voorgekomen tijden van misgewas en hongersnood voor ons “geval” verantwoordelijk stellen, zijn we niet ver van de waarheid af. Tegelijk krijgen we een beeld van de uitgebreidheid van de invloedssfeer van Vries in oude tijden. Uit verren omtrek zullen de voor het algemeen belang geofferden naar hier zijn gebracht, waarop het aantal en de leeftijd der begravenen wijzen. Ze zijn aan de zorgen van den parochie-geestelijke toevertrouwd, die later te midden van zijn “beschermelingen” in de gewijde aarde achter het Heiligdom is bijgezet.

Ik waag het hier een stout vermoeden uit te spreken. Zulke gebeurtenissen als de zoo juist beschrevene laten natuurlijk sporen na, in het “volksgeheugen”, op de meest eigenaardige en onverwachte wijze komen die soms tot uitdrukking. Toen in het begin der 15e eeuw het nieuwe “verheven” koor werd gebouwd en de Gothische gewelven zich boven de plaats, waar de tragedie zich had afgepeeld, verhieven, beitelde men op de kraagstukken herinneringen aan dit gebeuren.

Zo de eene man en de drie vrouwen tegen het Oosten, die den priester en de treurende moeders kunnen uitbeelden. Het engelkopje tegen het Zuiden. Wat zou er wel op het verdwenen en op het verminkte kraagstuk hebben gestaan? Wat moet de kop, die wel eens voor een leeuw of een Noorman is aangezien in het geschetste verband betekenen? Raadsels! Zoals dit hele  “complex”, de oplossing zal wel altijd op zich laten wachten, wat niet wegneemt dat een ogenblik fantaseren ook zijn nut kan hebben.

Ds W.Tj.Klumper