Jizo, de god van de kinderen

Het Japanse volk gelooft dat kinderen die gestorven zijn naar de ‘Droge bedding van de Zielenrivier’ gaan. Dit is een eentonig land zonder zon, met bergen die tegen een blanke hemel oprijzen en met duistere valleien. Er groeit niets op deze dorre, lege vlakten, geen bomen en struiken, geen gras en geen bloemen. De zielen van dode kleine kinderen lopen op blote voeten over de harde stenen die langs de rivierbedding liggen. Die arme wezens denken met smart aan hun ouders, hun broers en zusters, die zij op de lichte warme aarde hebben moeten achterlaten, en zij huilen zo hartverscheurend als zij op aarde nooit hebben gedaan.

Dan komt Jizo naar hen toe. Hij lacht zo teder en liefdevol naar deze wezens dat zij hun verdriet snel vergeten. Hij vertroost hen zoals hun moeders vroeger deden en hij streelt ze met de zorgvolle hand van een vader. Alle dagen dartelen de kinderzielen om hem heen, en door zijn aanwezigheid voelen zij zich niet meer zo alleen. Zijn lichtend gewaad brengt wat zon in deze barre omgeving. Onder zijn toeziend oog bouwen de kleinen torens van stenen, die gebeden voorstellen, één voor hun vader, één voor hun moeder en één voor elk van hun broertjes en zusjes. Zo vergaat de tijd en langzaamaan wennen de kinderen aan deze nieuwe omgeving.
Maar voor de oni  -die afzichtelijke duivels- is een gebed of een gebedstoren een doorn in het oog. Zij worden er door gehinderd bij de uitoefening van hun kwade praktijken. Daarom verwoesten zij de stenen torentjes die zij op hun weg ontmoeten. De kinderen doen hun beklag bij Jizo, die met zijn toverstaf in het rond zwaait om de duivels te verjagen.

Er bevindt zich een oude grot in Japan die de ‘Oude Spelonk’ wordt genoemd. Hier komen ’s nachts de kinderzielen bijeen nadat zij over zee de grot hebben bereikt. Men kan ’s morgens nog hun voetstappen in het zand van de spelonk zien, maar de kinderen zijn dan verdwenen, want de overledenen mogen de zon nooit aanschouwen.
Er was eens een oude, arme vrouw die in haar levensonderhoud voorzag door zijderupsen te kweken en er zijde van te spinnen. Toen zij een keer een bezoek aan de tempel van Jizo bracht en naar het kale hoofd van de god keek , meende zij dat hij het wel koud moest hebben. Zij besloot een zijden muts voor hem te maken, en toen deze gereed was, ging ze er mee naar de grot, zette de muts op het hoofd van het beeld en bad: “Eerwaarde en liefdevolle god, u weet dat ik arm ben en daarom kan ik u alleen een muts offeren. Neem dit kleine geschenk van mij aan als dank voor alles wat u voor de kinderzielen doet”.

Een tijdje later stierf de vrouw. Haar lichaam bleef drie dagen warm, zodat haar vrienden haar niet durfden begraven. Hoe verheugd waren zij toen de vrouw na de derde dag haar ogen opende en rondliep of haar niets gemankeerd had.
Zij vertelde haar vrienden dat zij haar lichaam voor drie dagen had verlaten en dat zij was verschenen voor de grote god van het oordeel na de Dood, Emma-O. Hij had haar vertoornd aangezien en haar veroordeeld omdat zij tegen de wetten van Boeddha had gezondigd door zijderupsen te doden.
“Neem haar maar mee” beval Emma-O zijn dienaren, er werp haar in het grote vat dat gevuld is met vlammend, kokend metaal”.
Het bevel werd uitgevoerd en de arme vrouw leed ontzettend pijn en gilde het uit. Toen leek het of het metaal plotseling koud werd en de pijn verdween. De vrouw zag dat Jizo naast haar stond met een stralende glimlach op zijn gelaat. Hij greep haar hand, sprak troostende woorden en vertelde haar dat haar angsten en pijnen nu voorbij waren. Hij tilde haar uit het vat en leidde haar weer voor de troon van Emma-O.
“Deze vrouw zei Jizo heeft altijd godvruchtig geleefd en de goden geëerd. Zij had geen andere broodwinning dan haar zijderupsen, maar ondanks haar armoede heeft zij mij toch een zijden muts geofferd in mijn tempel in de oude spelonk. Ik smeek u haar niet te straffen en haar weer naar de aarde te laten terugkeren”.

Zo kwam de oude vrouw weer tot leven. Op deze manier beloont Jizo allen die hem vereren en hem een goed hart toedragen.